DIRECT TAX

Het lot van de liquidatiereserve na schenking van de vennootschap

Michaël Devriendt
Door:
insight featured image
Opgelet wanneer u de blote eigendom van de aandelen van uw vennootschap schenkt aan uw kinderen en nog rekent op de door u opgebouwde liquidatiereserves
Onderwerpen

Schenking van aandelen 

In het kader van hun successieplanning, schenken ouders vaak de aandelen van de vennootschap aan hun kinderen, terwijl ze zelf nog actief zijn binnen ‘hun’ vennootschap. Kwestie van het lot niet te hard te tarten, wordt gebeurlijk geruime tijd vóór pensionering geschonken. Uiteraard willen de ouders wel nog enige tijd baas blijven in ‘hun’ vennootschap, minstens tot aan hun pensionering. Bovendien, om in hun levensonderhoud te kunnen blijven voorzien, wensen vele schenkers ook ná de schenking nog de mogelijkheid te behouden om zich dividenden uit de vennootschap te laten uitkeren.

Voorbehoud van vruchtgebruik

Daarom worden aandelen veelal geschonken met voorbehoud van vruchtgebruik, zodat de kinderen enkel de blote eigendom over de aandelen verwerven. Zodoende zullen de ouders, in hun hoedanigheid van vruchtgebruiker, op de algemene vergadering nog steeds het stemrecht over de (geschonken) aandelen kunnen uitoefenen (controle) en anderzijds (nog steeds) recht hebben op de dividenden die de vennootschap uitkeert (inkomsten).  

Het staat vast dat de ouders, als vruchtgebruiker, recht hebben op dividenduitkeringen. Maar of de vruchtgebruiker ook recht heeft op de uitkering van de reeds opgebouwde en de toekomstige liquidatiereserves is een ander paar mouwen.

Alvorens hierop dieper in te gaan, is het allicht nuttig de fiscale achtergrond van de liquidatiereserve even op te frissen.

Liquidatiereserve

Dividenduitkeringen zijn in principe onderhevig aan een roerende voorheffing van 30%. Om dit tarief enigszins te milderen, hebben kmo’s de mogelijkheid om winsten, in plaats van ze onmiddellijk uit te keren als dividend, te reserveren op een aparte passiefrekening, de liquidatiereserve. Op het bedrag van de aangelegde liquidatiereserve is een afzonderlijke heffing van 10% verschuldigd door de vennootschap.

Bij uitkering van de liquidatiereserve is slechts 20% of 5% roerende voorheffing verschuldigd, afhankelijk of de uitkering plaatsheeft binnen de termijn van 5 volledige boekjaren na reservering, dan wel erna. In geval de vennootschap (volledig) wordt geliquideerd, wordt de liquidatiereserve zelfs vrij van roerende voorheffing uitgekeerd. Afgaand op het regeerakkoord worden de tarieven en de wachttermijn in de nabije toekomst mogelijk gewijzigd.    

Hebben de ouders, als vruchtgebruiker, ook recht op de uitkering van de liquidatiereserves?

Om een lang verhaal kort te maken, de wet bepaalt het niet, rechtspraak is er vooralsnog niet en in de rechtsleer bestaan hierover verschillende zienswijzen. Het is  dus niet zeker of de vruchtgebruiker wel recht heeft op de liquidatiereserve.

Is de uitkering uit een liquidatiereserve een dividend?

Vanuit fiscale bril bekeken is de uitkering van een liquidatiereserve een dividend. Dividenden zijn ‘vruchten’ en komen daarom toe aan de vruchtgebruiker.

Echter, vanuit burgerrechtelijk oogpunt, en het burgerlijk recht heeft voorrang op het fiscaal recht, is er geen eensgezindheid. Technisch gezien, worden deze winsten immers niet uitgekeerd als dividend, maar voor onbepaalde tijd toegevoegd aan de reserves. Aldus rees al snel de vraag of de winst die wordt ondergebracht in een liquidatiereserve dient om middelen op bestendige wijze binnen de vennootschap te houden, wat in de kaart van de blote eigenaar zou spelen, dan wel louter dienst doet om de winst op een fiscaal vriendelijkere manier uit de vennootschap te halen, en vanuit die optiek eerder aan de vruchtgebruiker zou toekomen.

‘Vruchten’ versus ‘opbrengsten’

Het burgerlijk wetboek maakt een onderscheid tussen ‘vruchten’ en ‘opbrengsten’. De uitkering van ‘vruchten’, zoals een dividend, beïnvloedt de kapitaalwaarde van de aandelen niet en komt toe aan de vruchtgebruiker.  ‘Opbrengsten’ teren bij uitkering daarentegen wel in op de kapitaalwaarde van het geschonken goed en komen daardoor niet aan de vruchtgebruiker toe.

In de wetenschap dat de uitkering van een liquidatiereserve weldegelijk een negatieve invloed heeft op de kapitaalwaarde van de aandelen van de vennootschap, zou men bij een (té?) strikte lezing van de wet tot de conclusie kunnen komen dat de uitkering aan de blote eigenaar zou toekomen … al maken verschillende auteurs zich onmiddellijk de bedenking dat deze strikte zienswijze wel heel onbillijke gevolgen zou hebben voor de vruchtgebruiker die destijds (vóór de schenking) louter om fiscale redenen een liquidatiereserve heeft aangelegd en daarná de schenking geen of slechts beperkt aanspraak op zou kunnen maken.

Is het tijdstip van de aanleg van de liquidatiereserve bepalend?

Daarom werd in de rechtsleer gezocht naar verfijning, al blijft de onduidelijkheid bestaan.

Bepaalde auteurs maken een onderscheid naar gelang de uitkering betrekking heeft op een liquidatiereserve die werd aangelegd vóór, dan wel ná de schenking. Op het ogenblik van de schenking wordt de waarde van de schenking vastgeklikt. De al opgebouwde liquidatiereserves bepalen mee die waarde. Wanneer deze liquidatiereserves nadien worden uitgekeerd, dan zal dit de kapitaalwaarde van de geschonken aandelen verminderen.  

Vanuit deze zienswijze zou de uitkering dan ook eerder te beschouwen zijn als een ‘opbrengst’, wat in het voordeel van de blote eigenaar speelt. Uiteraard zal de uitkering van liquidatiereserves die werden opgebouwd ná de schenking de waarde van de geschonken aandelen niet beïnvloeden, waardoor de uitkering volgens deze doctrine aan de vruchtgebruiker zou toekomen.

Sommige rechtsgeleerden komen dan weer tot de conclusie dat de uitkering uit een liquidatiereserve een vrucht betreft die aan de vruchtgebruiker toekomt, ongeacht het moment waarop de liquidatiereserve werd aangelegd.

Wat er ook van zij, in geval van conflict hebben zowel de vruchtgebruiker, als de blote eigenaar juridische gronden om hun aanspraak op de uitkering van de liquidatiereserve te staven.

Hoe wordt de liquidatiereserve verdeeld na een overlijden?

Bij nalatenschappen kan deze problematiek ook spelen. Stel, de overledene liet aan de overlevende huwelijkspartner en de kinderen een bedrijf na waarin liquidatiereserves werden opgebouwd. In principe erft de langstlevende echtgeno(o)t(e) het vruchtgebruik en erven de kinderen de blote eigendom van de aandelen. Komen die liquidatiereserves bij uitkering dan toe aan de langstlevende echtgenoot (de vruchtgebruiker) en/of de kinderen (blote eigenaars)? U raadt het al, ook in het huwelijksvermogens- en erfrecht is er discussie wie recht heeft op de uitkeringen, wanneer de statuten van de vennootschap hieromtrent niets bepalen.

En nu het goede nieuws!

Gelukkig bestaan er mogelijkheden om een mouw te passen aan de bovenstaande juridische onzekerheid.

Vooreerst zal de adviseur zich bij de klant goed dienen te informeren aan wie de reeds opgebouwde liquidatiereserves en de toekomstige liquidatiereserves ná de schenking dienen toe te komen.

Mits een juiste clausulering in de schenkingsakte en/of statuten van de vennootschap kunnen de uitkeringen aan de gewenste partij worden toebedeeld.

Zelfs wanneer ten tijde van de schenking vergeten werd een regeling te treffen omtrent het lot van de liquidatiereserves, kan post factum nog een passende juridische oplossing worden uitgewerkt.  

Contact

Aarzel niet om contact met ons op te nemen bij vragen.